Sla inhoud over

Tucht Reglement (2011)


Hoofdstukken

1 Werkingsfeer tuchtreglement BSBN

1 Dit reglement is van toepassing op alle leden van de Bob- en Sleebond Nederland, verder ook de ‘Bond’ of de ‘BSBN’, en allen die zich uit anderen hoofde aan de Statuten en/of Reglementen van de Bond dienen te houden.

2 Voorzover het Dopingreglement afwijkt van dit Reglement gestelde heeft het in het Dopingreglement voorrang.

2 Bevoegdheden

1. De Tuchtcommissiebehandelt overtredingen in eerste instantie.

2. De Commissie van Beroep behandelt het beroep dat tegen een uitspraak van de Tuchtcommissieis ingesteld hetzij door de betrokkene hetzij door het Bestuur van de Bond.

3. De Tuchtcommissiebeoordeelt op grond van de aangifte of een overtreding is begaan. De Commissie van Beroep beoordeelt op grond van het beroepschrift of een overtreding is begaan. Komt de commissie bij de behandeling van de zaak tot het oordeel dat een andere soortgelijke overtreding is begaan dan waarvan aangifte is gedaan, danwel die in het beroepschrift is opgenomen, dan kan zij - mits de betrokkene zich daartegen heeft kunnen verweren - voor die andere overtreding een straf opleggen.

4. De Tuchtcommissieen de Commissie van Beroep kunnen ieder lid, orgaan of commissie van de Bond verplichten door de desbetreffende commissie gestelde vragen schriftelijk of ter zitting mondeling te beantwoorden.

3 Overtreding

1. Een overtreding in de zin van dit Tuchtreglement is elk handelen of nalaten:

a. waardoor een bepaling in de Statuten of reglementen van de Bond wordt overtreden, wedstrijdbepalingen hieronder begrepen;

b. dat in strijd is met een besluit van een orgaan of van een commissie van de Bond;

c. waardoor de belangen van de Bond worden geschaad;

d. waarbij een lid zich jegens een ander lid, een orgaan, of een commissie van de Bond niet gedraagt naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt verlangd danwel naar de algemene normen die in het maatschappelijk verkeer in acht genomen dienen te worden.

2. Onder een overtreding wordt bovendien verstaan het niet, niet tijdig of niet naar behoren nakomen van verplichtingen, alsmede het gelegenheid bieden of aansporen tot, het vergemakkelijken van of het behulpzaam zijn bij het begaan van een overtreding.

3. Een overtreding is strafbaar indien er sprake is van opzet, schuld, nalatigheid of onzorgvuldigheid van de betrokkene.

4. Het bewijs van een overtreding is geleverd indien de commissie op grond van feiten en omstandigheden de overtuiging heeft dat de betrokkene de overtreding heeft begaan. De commissie kan het bewijs mede gronden op stukken, verklaringen, foto’s, t.v.- of videobeelden. Het bewijs kan niet kan worden gegrond op één enkel stuk, één enkele verklaring of alleen op beeldmateriaal, met uitzondering van een verklaring die afkomstig is van een (buitenlandse) zusterorganisatie van de Bond of van een bij de Bond in functie zijnde (wedstrijd)official.

5. Overtredingen kunnen door een commissie ook worden bestraft indien dezelfde gedraging ter beoordeling aan de strafrechter of aan de burgerlijke rechter is of kan worden voorgelegd.

4 De aangifte

1. Het Bestuur en ieder lid zijn ieder bevoegd aangifte te doen van een door een lid van de Bond danwel derde die zich aan de Statuten en/of Reglementen van de Bond heft te houden begane overtreding. Degene die aangifte doet formuleert de overtreding. Het Bondsbestuur (Bestuur) kan bij de aangifte tevens een verzoek doen een voorlopige en/of een bepaalde straf op te leggen en/of om de betrokkene geheel of gedeeltelijk in de kosten van de tuchtrechtelijke procedure te veroordelen.

2. De aangifte door het Bestuur wordt gedaan door een vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder.

3. Een aangifte met eventuele bijlagen wordt schriftelijk ingediend bij de secretaris van de Tuchtcommissie.

4. De Tuchtcommissieneemt een aangifte zo spoedig mogelijk na indiening in behandeling.

5. De Tuchtcommissieneemt een aangifte niet in behandeling indien deze betrekking heeft op een overtreding die meer dan zes maanden vóór de datum van ontvangst van de aangifte is begaan, tenzij degene die de aangifte heeft gedaan naar het oordeel van de voorzitter van de Tuchtcommissievoldoende aannemelijk maakt dat niet eerder aangifte kon worden gedaan en de aangifte zo spoedig mogelijk nadien is gedaan.

6. Een anoniem gedane aangifte wordt niet in behandeling genomen.

7. De in de aangifte geformuleerde overtreding vormt de grondslag voor de behandeling van een zaak door de Tuchtcommissieen door de Commissie van Beroep. Een aangifte kan door de degene die de aangifte heeft gedaan nadien alleen met toestemming van de voorzitter van de Tuchtcommissieworden gewijzigd, hetgeen kan worden geweigerd indien naar het oordeel van de voorzitter reeds bij het doen van de aangifte met de verzochte wijziging van de aangifte rekening had kunnen worden gehouden of wanneer de betrokkene daardoor in zijn verdediging aanzienlijk wordt geschaad. De Tuchtcommissieof de Commissie van Beroep kunnen in verband met het gestelde in artikel 2 lid 3 een aangifte wijzigen. Van een beslissing van de voorzitter van de Tuchtcommissieals hier bedoeld staat beroep open bij de voorzitter van de Commissie van Beroep. Deze laatste kan beslissen of de aangifte alsnog door de Tuchtcommissiein behandeling moet worden genomen.

8. Het doen van een valse aangifte levert een overtreding van dit reglement op die met inachtneming van dit reglement wordt bestraft, zij het dat de aangifte alsdan wordt geformuleerd door het Bestuur.

5 De betrokkene

1. De secretaris zendt de complete aangifte per aangetekende brief met bericht van ontvangst danwel per e-mail aan de betrokkene. Hij geeft daarbij nadere informatie over de procedure en informeert over de internetsite waarop dit Tuchtreglement kan worden geraadpleegd.

2. De betrokkene kan binnen veertien dagen na verzending van de aangifte tegen die aangifte een verweerschrift indienen bij de secretaris. Op gemotiveerd verzoek van de betrokkene kan deze termijn door of namens de voorzitter worden verlengd. Indien de betrokkene geen mondelinge behandeling wil, doet hij hiervan opgave in het verweerschrift.

3. De betrokkene is gehouden naar waarheid te verklaren. De Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep kunnen te allen tijde van de betrokkene verlangen dat deze op gestelde vragen zelf antwoordt en voor die beantwoording niet naar een ander, waaronder diens raadsman, verwijst.

4. De betrokkene kan zich bij zowel de Tuchtcommissie als de Commissie van Beroep door een raadsman doen bijstaan. Is de raadsman niet een advocaat, dan legt de raadsman bij het schriftelijk verweer een schriftelijke volmacht over van de betrokkene. Tijdens een mondelinge behandeling kan de betrokkene een raadsman, die geen advocaat is, mondeling tot zijn gemachtigde benoemen. Voor een raadsman gelden dezelfde rechten en verplichtingen als voor de betrokkene.

5. Op verzoek van de betrokkene kan de secretaris de correspondentie in de zaak aan de raadsman toezenden. De betrokkene kan zich nadien niet beroepen op onbekendheid met het verloop van de procedure en/of met door hem te verrichten handelingen.

6 Behandeling

1. De Tuchtcommissie kan van de inhoudelijke behandeling van een zaak afzien indien reeds uit de aangifte blijkt dat de Tuchtcommissie niet bevoegd is de zaak te behandelen. In dat geval wordt door of namens de voorzitter schriftelijk uitspraak gedaan. Voorts kan de Tuchtcommissie degene die aangifte doet op grond van dit reglement niet-ontvankelijk verklaren. Van beide uitspraken staat de degene die aangifte heeft gedaan beroep open. In de in dit lid bedoelde gevallen wordt schriftelijk mededeling gedaan aan degene die de aangifte heeft gedaan en aan degene tegen wie aangifte was gericht.

2. De behandeling van een zaak geschiedt in beginsel mondeling. De Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep kan op verzoek van de betrokkene van een mondelinge behandeling afzien of wanneer de commissie meent dat een mondelinge behandeling niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 en 3 zijn de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep verplicht een mondelinge behandeling te houden, indien de aangifte kan leiden tot het opleggen van een voorlopige straf of tot een royement.

4. Ingeval van een mondelinge behandeling stelt de secretaris datum, uur en plaats van behandeling vast en deelt hij dit de betrokkene ten minste vijf dagen vóór de dag van de zitting schriftelijk mede.

5. De secretaris roept ook andere personen waarvan de Tuchtcommissie of Commissie van Beroep de verschijning gewenst acht per aangetekende brief met bericht van ontvangst op.

6. De mondelinge behandeling vindt niet in het openbaar plaats. De Tuchtcommissie of de Commissie van Beroep kan anders beslissen wanneer naar haar oordeel het belang van de zaak daartoe noodzaakt. De betrokkene kan niet om een openbare behandeling verzoeken. Tenzij de zitting openbaar is, kunnen de betrokkene en de Bond ieder de mondelinge behandeling doen bijwonen door ten hoogste drie toehoorders, die over hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken niet mogen (doen) publiceren. Toehoorders kunnen in die zaak of in een daarmee samenhangende andere zaak niet als getuige worden gehoord.

7. Wanneer is bepaald dat geen mondelinge behandeling wordt gehouden, wordt de zaak schriftelijk afgedaan.

7 Zitting

1. De Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep bepalen wie tot een zitting toegang heeft.

2. Indien de betrokkene niet ter zitting is verschenen, gaat de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep na of de betrokkene behoorlijk is opgeroepen. Heeft geen behoorlijke oproeping plaatsgevonden of meent de Tuchtcommissie of de Commissie van Beroep om een andere reden dat uitstel van de behandeling gewenst is, dan stelt zij de behandeling tot een nader te bepalen datum uit. De betrokkene wordt hiervan door de secretaris schriftelijk in kennis gesteld.

3. Indien een getuige of deskundige niet ter zitting is verschenen, kan de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep besluiten de zitting uit te stellen, dan wel de zaak voor zover mogelijk te behandelen en voor de niet-verschenen getuige of deskundige op een andere datum voort te zetten.

4. De betrokkene en diens raadsman mogen de gehele zitting bijwonen, tenzij het bepaalde in lid 5 toepassing vindt.

5. De Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep kunnen een ieder wiens gedrag daartoe aanleiding geeft, het verder bijwonen van de zitting ontzeggen.

6. De leden van de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep stellen de betrokkene en andere te horen personen zo nodig vragen. De betrokkene kan verzoeken aanvullende vragen te mogen stellen. Aan dit verzoek wordt voldaan, tenzij de vragen naar het oordeel van de voorzitter niet ter zaak dienende zijn.

7. Indien de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep meent dat er wellicht sprake is van een andere, soortgelijke overtreding dan waarvan aangifte is gedaan, deelt de voorzitter dit de betrokkene mee en stelt deze hem in de gelegenheid daartegen verweer te voeren, hetzij - al dan niet na een schorsing – ter zitting, hetzij nadien ter zitting of op andere wijze.

8. De secretaris maakt van de mondelinge behandeling een relevante, zakelijke samenvatting die door de voorzitter en de secretaris van de commissie worden ondertekend.

8 Getuigen en deskundigen

1. De Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep zijn bevoegd voor een zitting getuigen en deskundigen op te roepen. De secretaris doet hiervan alsmede van hun namen en van hun deskundigheid mededeling aan de betrokkene.

2. De betrokkene kan zelf voor een zitting ten hoogste drie getuigen of deskundigen oproepen en doet hiervan uiterlijk drie dagen voor de zitting schriftelijk mededeling aan de secretaris onder opgave van hun namen en adressen. Van de deskundige wordt bovendien opgave gedaan van zijn deskundigheid. Alleen met voorafgaande schriftelijke toestemming van de voorzitter kan de betrokkene meer dan drie getuigen of deskundigen oproepen.

3. Leden van de Bond en anderen die zich aan de Statuten en/of Reglementen van de Bond dienen te houden die als getuige of deskundige worden opgeroepen, zijn verplicht te verschijnen. Ook anderen dan leden kunnen als getuige of deskundige worden opgeroepen.

4. Getuigen en deskundigen kunnen in beginsel alleen ter zitting worden gehoord. Indien een getuige of deskundige ter zitting redelijkerwijs niet aanwezig kan zijn, kan hij met toestemming van de voorzitter een door hem ondertekende schriftelijke verklaring overleggen, welke aan de betrokkene ter inzage wordt gegeven.

5. Getuigen zijn verplicht naar waarheid te verklaren. Deskundigen zijn verplicht te antwoorden naar hetgeen de wetenschap hen leert. De voorzitter kan hen verzoeken een zakelijke samenvatting van hun verklaring te ondertekenen.

6. Het niet naar waarheid verklaren levert een overtreding op die met inachtneming van dit reglement kan worden bestraft. In dat geval wordt de aangifte geformuleerd door de secretaris van de commissie die heeft geconstateerd dat niet naar waarheid is verklaard.

9 Op te leggen straffen

1. Als straf kan worden opgelegd:

a. een berisping;

b. een geldboete tot een maximum van € 500,00;

c. de uitsluiting om deel te nemen aan één of meer activiteiten van de Bond;

d. het ontzeggen van het recht tot het uitoefenen van één of meer functies in de Bond;

e. het opleggen van wedstrijdstraf, mits deze in de statuten of in een reglement van de Bond in relatie tot wedstrijden en/of trainingen als een op te leggen straf is aangemerkt;

f. de schorsing;

g. het royement (ontzetting) als lid van de Bond.

2. Indien de betrokkene meer overtredingen heeft begaan, kan voor elke overtreding afzonderlijk een straf worden opgelegd. De Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep kan alsdan ook volstaan met het opleggen van één straf.

3. Een berisping, een schorsing en een royement kunnen niet tezamen met een andere straf worden opgelegd.

4. Met uitsluiting van de berisping en een royement kunnen de in lid 1 genoemde straffen geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd. Het voorwaardelijke gedeelte van een straf wordt aan een termijn van ten hoogste twee jaar gebonden.

5. Indien de betrokkene binnen de termijn van de voorwaardelijk opgelegde straf weer een overtreding begaat, kan de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep beslissen het voorwaardelijke gedeelte alsnog in een onvoorwaardelijke straf om te zetten en daarnaast een straf op te leggen voor de nieuwe overtreding.

6. Maakt een overtreding, waarvan aangifte is gedaan, een ernstige inbreuk op de rechtsorde in de Bond dan kan de Tuchtcommissie, zodra aangifte is gedaan en voordat verweer is gevoerd of een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, aan de betrokkene een voorlopige straf opleggen.

10 Straffen

1. Een berisping kan als straf worden opgelegd, indien de Tuchtcommissie danwel Commissie van Beroep meent met een eenvoudige waarschuwing te kunnen volstaan.

2. Een geldboete kan als straf worden opgelegd wanneer de betrokkene door de overtreding geldelijk voordeel heeft behaald of de belangen van de Bond of van een ander lid heeft geschaad, of wanneer de Tuchtcommissie danwel Commissie van Beroep een geldboete, al dan niet in combinatie met een andere straf, passend acht.

3. Een uitsluiting van deelname aan activiteiten van de Bond wordt als straf opgelegd voor een bepaalde duur en/of voor bepaalde activiteiten.

4. De ontzegging van de bevoegdheid om bij de Bond één of meer functies uit te oefenen wordt alleen als straf opgelegd indien de overtreding in de uitoefening van een bepaalde functie is begaan. Bedoelde ontzegging kan op die functie, maar ook op door de Tuchtcommissie danwel Commissie van Beroep te bepalen andere functies in de Bond betrekking hebben. De ontzegging geschiedt voor een maximale duur van drie jaar.

5. Een schorsing wordt als straf opgelegd indien de overtreding zo ernstig is dat niet met een lichtere straf kan worden volstaan en een royement een te zware straf is. Een schorsing kan worden opgelegd voor de duur van maximaal vijf jaar. Gedurende de schorsing kan de betrokkene geen functie en lidmaatschapsrechten uitoefenen, noch deelnemen aan activiteiten van de Bond en blijven de uit het lidmaatschap voortvloeiende verplichtingen onverkort op hem van toepassing.

6. Het royement wordt op verzoek van het Bestuur uitgesproken indien de betrokkene in ernstige mate in strijd handelt met de statuten, reglementen of besluiten van de Bond danwel de Bond op onredelijke wijze benadeelt. De betrokkene is geschorst vanaf de datum waarop het verzoek van het Bestuur door de secretaris is ontvangen, van welke datum het Bestuur schriftelijk mededeling doet aan de betrokkene. De betrokkene kan de voorzitter van de Tuchtcommissie schriftelijk verzoeken diens schorsing tot aan de uitspraak van de Tuchtcommissie op te schorten, op welk verzoek de voorzitter schriftelijk uitspraak doet en tegen welke uitspraak geen beroep mogelijk is.

7. Indien de Tuchtcommissie het royement uitspreekt, kan de betrokkene van die uitspraak in beroep gaan bij de Commissie van Beroep. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

8. Indien een straf voor een bepaalde duur geldt of voor bepaalde activiteiten of functies wordt daarvan in de uitspraak mededeling gedaan.

11 Uitspraak

1. Een uitspraak van de Tuchtcommissie danwel van de Commissie van Beroep komt tot stand door een met gewone meerderheid genomen besluit. De commissieleden hebben elk één stem. De secretaris woont het beraad bij maar neemt niet deel aan de stemming.

2. Indien de Tuchtcommissie van oordeel is dat de in de aangifte bedoelde overtreding noch enige andere soortgelijke overtreding is begaan, spreekt zij de betrokkene vrij.

3. Indien de Tuchtcommissie van oordeel is dat de in de aangifte bedoelde overtreding of een andere soortgelijke overtreding is begaan, deelt zij aan de betrokkene mee voor welke overtreding welke straf wordt opgelegd.

4. Indien de Commissie van Beroep van oordeel is dat de uitspraak van de Tuchtcommissie in stand kan blijven, bevestigt zij die uitspraak.

5. Indien de Commissie van Beroep van oordeel is dat de uitspraak van de Tuchtcommissie niet in stand kan blijven, wijzigt zij deze uitspraak en bepaalt zij of de betrokkene wordt vrijgesproken, dan wel ter zake van welke overtreding welke straf aan de betrokkene wordt opgelegd.

6. Bij het bepalen van de straf en de strafmaat worden zoveel mogelijk in gelijksoortige zaken dezelfde maatstaven aangelegd.

7. In geval van een schriftelijke behandeling doet de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep zo spoedig mogelijk uitspraak. Heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, dan doet de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep uiterlijk veertien dagen na de datum van de zitting uitspraak, tenzij meer tijd voor beraadslaging nodig is. In het laatste geval doet de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep uiterlijk één maand na de zittingsdatum uitspraak.

8. Een uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

9. De secretaris zendt een uitspraak van de Tuchtcommissie danwel van de Commissie van Beroep per aangetekende brief met bericht van ontvangst alsook per e-mail aan de betrokkene en zendt een afschrift van de uitspraak aan het Bestuur. Indien de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep zich onbevoegd heeft verklaard en de betrokkene nog geen verweerschrift heeft ingediend, zendt de secretaris de uitspraak alleen aan de degene die de aangifte heeft gedaan en het Bestuur.

10. De uitspraken van de Commissie van Beroep (en van de Tuchtcommissie voorzover daarvan niet tijdig beroep is ingesteld) zijn onherroepelijk en voor de betrokkene en alle leden van de Bond en de overigen waarop dit reglement van toepassing is bindend, tenzij na de behandeling door de Commissie van Beroep, beroep bij het CAS wordt ingesteld, in welk geval de reglementen van het CAS op dat beroep van toepassing zijn en de uitspraak van het CAS bindend is.

11. Een uitspraak van de Tuchtcommissie danwel van de Commissie van Beroep bindt geen derden die in de uitspraak zijn vermeld doch die niet 1)de betrokkene of 2) de Bond of 3) een derde die zich aan de Statuten en/of Reglementen van de Bond dienen te houden zijn. De betrokkene of de Bond kan een derde niet enige verklaring tegenwerpen die in het kader van de behandeling van de tuchtzaak is afgelegd.

12 Beroep

1. Met uitzondering van een vrijspraak en van een door de Tuchtcommissie opgelegde berisping kan de betrokkene van elke andere uitspraak van de Tuchtcommissie beroep instellen bij de Commissie van Beroep. Het beroep kan alleen worden ingediend door de betrokkene zelf of diens raadsman of wettelijk vertegenwoordiger. Indien de betrokkene verstandelijk of zintuiglijk gehandicapt is, onder curatele staat of een mentor diens belangen behartigt is degene die diens belangen behartigt ook bevoegd met instemming van de betrokkene beroep in te stellen.

2. Het beroep, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1, wordt ingediend bij de voorzitter van de Commissie van Beroep, door of namens wie terzake een schriftelijke uitspraak wordt gedaan. Van de beslissing van de voorzitter staat geen beroep open bij de Commissie van Beroep.

3. Indien het Bestuur een uitspraak van de Tuchtcommissie, waaronder begrepen een vrijspraak en een berisping, in strijd acht met het algemeen belang van de Bond, kan het Bestuur namens de Bond beroep instellen.

4. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt veertien dagen na de datum van ontvangst van de uitspraak van de Tuchtcommissie, die geacht wordt twee dagen na de datum van verzending te zijn gelegen, tenzij de betrokkene overtuigend aannemelijk kan maken dat hij niet eerder van de uitspraak van de Tuchtcommissie heeft kunnen kennis nemen. Alleen in het geval de Tuchtcommissie een royement heeft uitgesproken bedraagt de beroepstermijn één maand. Deze termijn geldt ook voor de Bond indiende Tuchtcommissie ondanks een daartoe strekkend verzoek niet tot een royement heeft besloten.

5. Het beroep wordt ingesteld per aangetekende brief met bericht van ontvangst en per e-mail. In het beroepschrift dient te worden vermeld waarom beroep is ingesteld en het bestreden besluit alsmede alle overige documenten die aan het beroep ten grondslag worden gelegd dienen te worden meegestuurd.

6. De secretaris vermeldt op het origineel van het ontvangen beroep de datum van ontvangst, die bepalend is voor de tijdige indiening van het beroep.

7. Indien het beroepschrift niet volledig is of wanneer terzake van het beroep sprake is van onvolkomenheden retourneert de secretaris het beroepschrift aan de afzender met het verzoek binnen veertien dagen voor correctie en/of aanvulling zorg te dragen.

8. Indien het beroep namens de betrokkene door een ander dan de betrokkene of een in lid 1 bedoelde persoon is ingesteld, doet de secretaris de betrokkene hiervan schriftelijk mededeling en stelt de betrokkene binnen de termijn van veertien dagen in de gelegenheid alsnog zelf beroep in te stellen.

9. Indien de betrokkene in gebreke blijft beslist, de Commissie van Beroep over de ontvankelijkheid van het beroep.

10. Indien het beroepschrift wordt ingediend bij de Bond, wordt het beroepschrift doorgezonden aan de secretaris en geldt als datum van ontvangst de door een functionaris van de Bond daarop vermelde datum.

11. Op de tenuitvoerlegging van een straf tijdens de behandeling van een beroep is het bepaalde in het volgende artikel van toepassing.

13 Tenuitvoerlegging

1. Het Bestuur ziet toe op de tenuitvoerlegging van straffen.

2. De betrokkene, andere leden en organen van de Bond zijn verplicht hun medewerking aan de tenuitvoerlegging van een straf te verlenen. Het daarmede in gebreke blijven levert een overtreding op.

3. De tenuitvoerlegging van een door de Tuchtcommissie opgelegde straf vangt aan op de datum waarop zij uitspraak doet, tenzij in de uitspraak anders is bepaald.

4. Het instellen van beroep schort de tenuitvoerlegging van een straf niet op. Op verzoek van de betrokkene kan de voorzitter van de Commissie van Beroep de tenuitvoerlegging van een straf tijdens de behandeling van het beroep opschorten. Het verzoek tot het opschorten van de straf kan tegelijk worden gedaan met het indienen van een beroepschrift maar niet eerder.

5. Indien beroep wordt ingesteld bij het CAS oordeelt het daartoe bevoegde orgaan van het CAS overeenkomstig de reglementen van het CAS over een opschorting van de tenuitvoerlegging van een door de Commissie van Beroep opgelegde straf. Zolang het CAS zich niet heeft uitgelaten over een opschorting van de tenuitvoerlegging van een door de Commissie van Beroep opgelegde straf wordt een door de Commissie van Beroep opgelegde straf ten uitvoer gelegd.

6. Met uitzondering van de berisping en een geldboete en met uitzondering van een in een dopingzaak opgelegde straf, kan het Bestuur in bijzondere gevallen nadat ten minste twee derden van een straf is ondergaan, na een schriftelijk verzoek van de betrokkene het restant kwijtschelden. Het Bestuur kan aan het kwijtschelden van bedoeld restant voorwaarden verbinden, nadat het Bestuur terzake van het kwijtschelden en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden de commissie heeft gehoord die de zaak het laatst in behandeling heeft gehad.

7. Het Bestuur kan de tenuitvoerlegging van een straf opschorten, indien ten aanzien van de opgelegde straf nieuwe feiten of omstandigheden blijken, die - waren deze tijdens de behandeling van de zaak door de Tuchtcommissie danwel de Commissie van Beroep bekend geweest - met een grote mate van zekerheid tot vrijspraak of een veel lichtere straf zouden hebben geleid. Een dergelijk verzoek tot herziening moet schriftelijk door de betrokkene zijn gedaan met een uitvoerige motivering van die feiten en omstandigheden. Het Bestuur kan het verzoek alleen in behandeling nemen, indien op dat moment geen mogelijkheid van beroep openstaat.

8. Indien het Bestuur het verzoek tot herziening inwilligt en de tenuitvoerlegging opschort, stelt het Bestuur het verzoek aan de Tuchtcommissie ter hand, die het verzoek als ware het een aangifte behandelt. De Tuchtcommissie behandelt de zaak dan opnieuw, van welke uitspraak beroep kan worden ingesteld.

9. Het verzoek tot kwijtschelding en tot herziening kan slechts éénmaal worden gedaan.

14 Administratieve verzuimen en –maatregelen

1. Als administratieve verzuimen worden aangemerkt:

a. het niet of niet tijdig voldoen van verschuldigde gelden;

b. het niet, niet tijdig of niet volledig indienen van door de Bond voorgeschreven formulieren;

c. het niet tijdig verschaffen van inlichtingen en gegevens aan het Bestuur of een ander orgaan of commissie van de Bond;

d. de in een reglement vermelde verzuimen.

2. Indien een administratief verzuim langer dan vier weken voortduurt, kan het verzuim als een overtreding in de zin van dit Reglement worden aangemerkt en kan het Bestuur hiervan aangifte doen bij de tuchtcommissie, die de zaak behandelt.

3. Indien naar het oordeel van de commissie sprake is van een overtreding kan zij de betrokkene een straf opleggen die zij gepast acht.


Sponsors